Troostradio: Liesbeth List

De lokale kerken in Ridderkerk bieden in samenwerking met RTV Ridderkerk Troostradio: een korte, gesproken column als bemoediging en troost. Troostradio verbindt inwoners van Ridderkerk in tijden van de coronacrisis.

Troostradio wordt uitgezonden op maandag, woensdag en vrijdag 1x in de ochtend en 1x in de middag in het reclameblok vóór 11 en 18 uur.

Deze keer wordt de bijdrage verzorgd door Ds Martin de Geus van de Levensbron. De tekst wordt direct gepubliceerd zodat u kan mee– en teruglezen. Een overzicht van alle reeds uitgezonden afleveringen is op deze pagina te vinden.

Bijdrage Ds Martin de Geus van de Levensbron beluisteren, woensdag 1 april 2020.



LIESBETH LIST

‘Een volk dat niet meer weet, wie er in zijn midden zingt, is door geen politicus of militair meer te redden’. 

Aldus Gerard Rothuizen, in mijn studententijd in Kampen mijn favoriete hoogleraar, die helaas veel te vroeg overleed, op 29 juli 1988, op de leeftijd van 62 jaar.  

Hij schreef die zin, twintig jaar daarvóór, in een boek over de Psalmen, om precies te zijn bij Psalm 142. En hij had het daarbij over Liesbeth List, en haar album ‘Liesbeth List zingt Theodorakis’.

Die laatste zullen vandaag niet veel mensen meer kennen. Maar in het Griekenland van die jaren bestreed hij het dictatoriale kolonelsregime met liedjes over vrijheid en liefde.

En één van die liedjes ging over een joodse vluchteling in het Duitsland van Adolf Hitler. Lennaert Nijgh vertaalde het. En ik wil het u hier voorlezen tot en met de eerste regel van het laatste couplet.

o vluchten wil ik nu naar huis
geen prikkeldraad houdt mij nog op
vlieg, hart van mij, want ik ben vrij
en over land en over zee wil ik naar huis
geef mij toch brood want het is ver
en ver zal ik nog moeten gaan
over het strand, bergen en land,
zo vlucht ik verder
want ik wil – zo graag – naar huis
o christenmensen, hoor mij aan
geloof: ik ben geen moordenaar
weest niet beducht
ik ben gevlucht
omdat – omdat ik
nimmer mensen doden kon.
altijd wordt op hem gejaagd
altijd vindt hij schrik en vrees –
waar hij ook gaat, overal haat
o mensen, hoed u voor de man
hij is gevlucht 
o nooit was iemand zo alleen …

Dat laatste moet ook de dichter van die Psalm van het hart: dat er niemand is die naar hem omziet, niemand die zelfs maar naar hem vraagt …

Hoeveel mensen herkennen dat? Want hoeveel mensen zijn er ook vandaag geen vluchteling? Sommigen, op Lesbos bijvoorbeeld, in de dubbele zin van het woord. Maar ook hier vandaag in de enkele zin.

Wie vlucht er immers niet voor het coronavirus? Niet náár huis, maar eerder ín huis. En sommige mensen hebben dan nog elkáár. Maar anderen zijn moederziel alléén.

En ook dàt ‘eenzaamheidsvirus’ is helaas niet één, twee, drie op te lossen. Want daar is meer voor nodig dan een telefoonketting, hoeveel troost en bemoediging die ook kan brengen.

Want juist dáárdoor blijven we toch ook de afstand voelen. Een afstand, zegt de Psalmdichter, die alleen God kan overbruggen. Want:

iedereen vergeet mij
daarom, Heer, roep ik naar u
want u beschermt me – 
u bent alles wat ik op aarde nodig heb

Dat klinkt wel heel sterk. En we moeten ook van de nood geen deugd maken. 

Maar het is wel waar: God woont niet alleen in de kerk, waar we nu even niet naar toe kunnen. Hij woont ook bij ons, in ieder mensenhart. Dus die afstand is overbrugd. God is bij ons. En hij blijft dat ook, in leven en zelfs in sterven. 

Wanneer mijn geest in mij versmacht
kent Gij mijn pad, staat Gij op wacht.